De hoofdstad van Klein-Venedig was Neu-Augsburg (nu Santa Ana de Coro genaamd). In 1529 stichtte gouverneur Ambrosius Ehinger de stad Neu-Nürnberg, het tegenwoordige Maracaibo, dat tegenwoordig Venezuela’s tweede stad is. Deze nederzettingen dienden als bases voor handel en verdere exploratie.
De achtergrond van deze historie lag in het chronische gebrek aan pecunia van het Heilige Roomse Rijk. Keizer Karel V (1500-1558), tevens koning van Spanje, had grote sommen geld geleend van de gebroeders Welser om zijn vele oorlogen te financieren. Als terugbetaling verleende hij hun in 1528 het recht om de provincie Venezuela te verkennen, te besturen en te exploiteren. De Welsers zagen hierin een kans om direct toegang te krijgen tot de rijkdommen van de Nieuwe Wereld. Ze verplichtten zich tot het stichten van steden en forten, het uitrusten van expedities en het aanvoeren van kolonisten. Uiteraard alles op eigen kosten.
Handel en exploitatie
De focus lag sterk op handel en exploitatie. De Welsers transporteerden Duitse mijnwerkers naar de kolonie om naar goud en andere edelmetalen te zoeken. Toen dit niets opleverde, werd de lokale bevolking maar gevangen genomen om als slaven te werken. Dát deed de onderlinge verstandhouding geen goed.
![]() |
| [Bartholomeus Welser (1484-1561)] |
Daarnaast importeerde man zo'n 4,000 Afrikaanse slaven om suikerrietplantages op te zetten[2]. De kolonie fungeerde als een commerciële onderneming: Europese goederen (voedsel, paarden, wapens en textiel) werden geïmporteerd en verkocht tegen hoge (te) prijzen aan de kolonisten. Parels, katoen, brazilwood (verfhout) en eventuele edelmetalen werden geëxporteerd, eerst naar Sevilla en vandaar naar Augsburg. De Welsers hadden namelijk vrijstelling van bepaalde belastingen in Sevilla en hadden recht op een aandeel in de opbrengsten van mijnbouw, die dus nauweijks iets opleverde.
El Dorado
Alles werd echter overschaduwd door de zoektocht naar El Dorado, de legendarische (en fictieve) gouden stad. Opeenvolgende gouverneurs, Ambrosius Ehinger (ca 1500-1533), Georg von Speyer (1500-1540) en Philipp von Hutten (1505-1546), leidden zinloze expedities diep het binnenland in. Deze expedities leverden vrijwel niets op, maar kostten enorm veel levens als gevolg van tropische ziekten, honger, vijandige inheemse volkeren en barre omstandigheden. Die focus op goud ging ten koste van duurzame landbouw en handel. De economie bleef daardoor wankel.
Einde van de kolonie
In 1546 keerde Philipp von Hutten weer eens teneergeslagen terug uit het binnenland om tot zijn ontzetting te ontdekken dat een Spaanse ‘gouverneur’, Juan de Carvajal (ca 1509-1546), de macht had overgenomen. Carvajal, aangesteld door de Real Audiencia van Santo Domingo om de orde te handhaven, had documenten vervalst en zichzelf tot gouverneur uitgeroepen. Hij zag de terugkerende, behoorlijk verzwakte Duitsers als een bedreiging voor zijn positie.
Carvajal beloofde de Duitsers een veilig doorgang naar de kust, maar hij bleek (uiteraard) niet te vertrouwen en liet Philipp von Hutten en Bartholomeus Welser VI (1512-1546) gevangennemen en uiteindelijk onthoofden.
Kort daarna greep de Spaanse autoriteit in. Juan de Carvajal werd gearresteerd, berecht en ter dood veroordeeld voor zijn usurpatie van de macht en de executie van de rechtmatige gouverneur. Op 16 september 1546 werd hij in Santa Ana de Coro opgehangen. Karel V trok daarna het verdrag in en Klein-Venedig keerde terug onder directe Spaanse controle.
Tegenwoordig is Klein-Venedig een vergeten voetnoot in de geschiedenis.
[1] Jörg Denzer: Die Konquista der Augsburger Welser-Gesellschaft in Südamerika (1528-1556) – 2005. Zie hier.
[2] Julia Roth: Sugar and slaves: The Augsburg Welser as conquerors of America and colonial foundational myths in Atlantic Studies – 2017. Zie hier.


Geen opmerkingen:
Een reactie posten