vrijdag 24 juli 2026

Santo Tomás: België's kolonie in Guatemala

De koloniale geschiedenis van België had, achteraf gezien, weinig hoogtepunten en veel dieptepunten. Lees het boek 'Congo' van David van Reybrouck en je zult begrijpen dat de Belgen dat land in een grote ontreddering hebben achtergelaten[1].
Maar de Belgische koloniale aspiraties begonnen eerder. Terwijl de grote Europese mogendheden al eeuwen overzeese gebieden bezaten, zocht België, pas sinds 1830 onafhankelijk, nog naar een eigen plaats op het wereldtoneel. Het had natuurlijk allemaal te maken met een minderwaardigheidscomplex. België (en dan vooral de koning) wilde aan de wereld tonen dat ze een volwaardig land waren en zich internationaal profileren als koloniale mogendheid.

Daarom tuurde koning Leopold I (1790-1865) begerig over een wereldkaart en zag in Centraal-Amerika een kans. Zo ontstond in 1843 kortstondig de Belgische kolonie Santo Tomás in Guatemala, aan de Caraïbische kust. De in 1841 opgerichte Compagnie belge de colonisation, een private onderneming met koninklijke steun, sloot een overeenkomst met de Guatemalteekse regering. In ruil voor de aanleg van een haven, wegen en economische ontwikkeling kreeg de onderneming een concessie van ruim 100,000 hectare grond rond de baai van Santo Tomás de Castilla[2].

Het project werd voorgesteld als een tropisch paradijs waar landbouw, houtwinning en handel welvaart zouden brengen voor België.

In het voorjaar van 1843 vertrokken de eerste schepen, de 'Louise-Marie', de 'Ville de Bruxelles' en de 'Théodore' vanuit Antwerpen richting Santo Tomás met aan boord enkele honderden kolonisten, landbouwmateriaal en voorraden. Op het hoogtepunt telde de nederzetting ongeveer 880 Europese kolonisten. Zij bouwden woningen, begonnen plantages en droomden van een bloeiende handelspost. Belgische kranten en officiële propaganda schilderden Santo Tomás af als een soort paradijs op aarde.

De werkelijkheid bleek echter minder idyllisch. De kolonisten bleken nauwelijks voorbereid te zijn op de tropische omgeving. Malaria, gele koorts, dysenterie en andere infectieziekten verspreidden zich razendsnel onder de kolonisten. Het gebied rond Santo Tomás bestond uit dicht regenwoud, moerassen en een extreem vochtig klimaat, ideale omstandigheden voor ziekteverwekkers.
Alleen al in juli 1844 overleden 219 kolonisten. Meer dan de helft van alle kolonisten overleed binnen twee jaar. Naast ziekten speelden voedseltekorten, logistieke problemen, financiële tekorten en slecht bestuur een belangrijke rol.

Ook de relaties met de lokale bevolking verliepen minder harmonieus dan de oorspronkelijke plannen suggereerden. De onderneming onderschatte de politieke situatie in Guatemala, dat zelf nog instabiel was na de ontbinding van de Federale Republiek van Centraal-Amerika in 1839.

Tegen mei 1845 verbleven nog slechts ongeveer tweehonderd kolonisten in Santo Tomás. Velen trokken naar Guatemala-Stad of emigreerden verder naar andere delen van Midden-Amerika; anderen keerden ontgoocheld terug naar België. In 1854 trok Guatemala de stekker uit de concessie.

Uit dit koloniale debacle leerde België wel enkele dure lessen. Waar Leopold I nog afhankelijk was van private ondernemingen en buitenlandse overeenkomsten, zou Leopold II (1835-1909) tientallen jaren later veel centraler en persoonlijker te werk gaan bij de verwerving van Congo, al eindigde dit uiteindelijk ook desastreus.

Vandaag is deze episode in België grotendeels vergeten. In Guatemala herinneren plaatsnamen, archiefstukken en archeologische resten nog aan deze korte Belgische aanwezigheid aan de Caraïbische kust.

[1] Van Reybrouck: Congo: Een geschiedenis - 2010
[2] Van den Bossche: Een kortstondige kolonie Santo-Tomas de Guatemala (1843 -1854) - 1997

Geen opmerkingen:

Een reactie posten